Monetair systeem deel 1: ‘Geld uit het niets’

Fiatgeld

Deze blog is de eerste in een reeks over het monetaire systeem. In dit eerste deel heb ik het over hoe banken grootste deel van het geld creëren in onze economie.

Het is een wijdverbreide misvatting dat banken onze spaargelden aannemen en die vervolgens ‘uitlenen’ aan bedrijven die investeringen willen doen. De lening ontstaat namelijk vóórdat de deposito ontstaat. Dat komt omdat banken geld creëren als ze geld uitlenen aan bedrijven of consumenten. Daarmee is het dus ook een misvatting om te denken dat het de overheid is die al het geld creëert in onze economie. In ons geldsysteem zijn het de banken die het meeste geld creëren. Daarom noemen we banken in de economie ook ‘geldscheppende instellingen’. Hoe dat creëren van geld door het uitgeven van leningen in zijn werk gaat, leg ik uit in deze blog.

Soorten geld

Eerst is belangrijk om te begrijpen dat er grofweg twee soorten geld zijn in onze economie: contant geld en giraal geld. Het zal niemand verrassen dat veruit het meeste geld ‘giraal’ is, ofwel geld dat je op een rekening bij de bank hebt.

Er is een belangrijk verschil tussen het bezitten van contant geld en het hebben van een rekening bij de bank. Contant geld ‘heb’ je echt, terwijl het geld op de rekening bij de bank een verplichting is die de bank naar jou toe heeft. Heb je 5.000 euro op je zichtrekening staan, dan moet de bank je nog 5.000 euro betalen. Je leent het geld dus eigenlijk uit aan de bank met de overeenkomst dat je het kunt afhalen wanneer je wilt.

Geldcreatie door banken

Maar hoe kunnen banken dan dat girale geld, ofwel deze deposito’s, creëren door leningen uit te geven? Dat leg ik uit aan de hand van een voorbeeld:

We beginnen met Bank A. Bank A is in dit voorbeeld de enige bank in het volledige banksysteem. Daarmee is de balans van Bank A ook gelijk aan de balans van het banksysteem de fictieve economie die we hier schetsen. Die balans ziet er als volgt uit:

De afbeelding is een theoretisch voorbeeld van een bankbalans in een monetair systeem.

Klanten van Bank A hebben in totaal 100 aan deposito’s staan. Voor de bank zijn dat verplichtingen, want spaarders kunnen het geld opvragen, zodat ze aan de rechterkant staan. Daarnaast houdt de bank 10 aan kapitaal aan als buffer tegen mogelijke verliezen.

Aan de bezittingenkant zien we als eerste de reserves staan. De bank moet reserves aanhouden bij de centrale bank voor het geval depositohouders hun geld opvragen. Voor nu is dat nog niet zo belangrijk, maar in de volgende blog zien we dat reserves essentieel zijn voor de centrale bank om beleidsrente (belangrijkste beleidsinstrument) te bepalen. Verder zien we dat leningen een bezitting zijn voor de bank. Dat is logisch, want het is een claim die de bank heeft op klanten.

Voorbeeld

Stel nu dat Bedrijf X een autobouwmachine wil kopen van Bedrijf Y voor een prijs van 10. Beiden zijn klanten van Bank A, want het is de enige bank in het banksysteem. Om het bedrag van 10 te kunnen betalen leent Bedrijf X van Bank A voor een bedrag van 10. Het volgende gebeurt op de balans van Bank A:

De afbeelding toont hoe een toename van de schulden in een monetair systeem leidt tot een toename in het aantal deposito's en daarmee ook de geldhoeveelheid.

In het bovenstaande plaatje is te zien dat zowel de leningen als de deposito’s met 10 zijn opgehoogd. De bank heeft simpelweg de lening van 10 aan Bedrijf X als bezitting op zijn balans gezet en heeft de deposito van Bedrijf X verhoogd met 10. Als Bedrijf X het geld nu overmaakt naar Bedrijf Y verandert er niets, aangezien ook dit bedrijf bij Bank A bankiert. Het totale aantal deposito’s is door de lening dus met 10 aangedikt.

We hebben nu gezien wat er gebeurt in het banksysteem als geheel, wanneer een bank geld creëert. Daarmee zien we ook hoe heftig de totale hoeveelheid geld in de economie afhankelijk is van bankfinanciering: het aantal deposito’s groeit, wanneer de bedrijven in onze economie meer lenen.

Centrale bank

De centrale bank, een overheidsorgaan, kan de geldhoeveelheid stimuleren door haar beleidsrente te verlagen. Door de lagere rente is het voor bedrijven goedkoper om te investeren, waardoor ondernemingen zoals Bedrijf X eerder geneigd zijn om te investeren bijvoorbeeld de genoemde autobouwmachine. Meer investeringen leiden tot meer leningen en meer leningen tot meer deposito’s. En met die laatste stijgt dus dus ook de geldgroei in de economie.

Wil de centrale bank juist een minder grote geldgroei? Dan kan het de beleidsrente verhogen, zodat het voor bedrijven minder aantrekkelijk wordt om te lenen. Minder nieuwe leningen zorgen voor een tragere geldgroei.

Inflatie

Een te hoge toename van de geldhoeveelheid kan leiden tot hoge inflatie (geldontwaarding) en een te lage geldgroei kan zorgen voor een te lage inflatie. Centrale banken hebben vaak een inflatiedoelstelling. In het geval van de Europese Centrale Bank (ECB) is dat grofweg 2 procent inflatie per jaar.

Wanneer de inflatie in de eurozone dus onder de 2 procent is, zal de ECB de rente verlagen om zo de geldcreatie door banken te stimuleren. Ze zal de rente verhogen wanneer de inflatie boven de 2 procent uitkomt om zo de kredietverlening – en daarmee de geldgroei – te vertragen.

Be the first to comment on "Monetair systeem deel 1: ‘Geld uit het niets’"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*